‘Mama, ze zeggen op school dat ik slecht ben’

Donderdag 24 maart 2016

Samen met andere ouders en kinderen van school zit ik in de banken van een katholieke kerk. We wonen de paasdienst bij. De kinderen op het podium weerspiegelen met al hun nationaliteiten de multiculturele samenleving hier in Almere. Een jongen van Surinaamse afkomst speelt Jezus. Hij staat in een wit gewaad en met een nepdoornen kroon op zijn hoofd voor het altaar. Hij spreidt zijn armen, zijn hoofd is gebogen. Hij vraagt vol drama waarom God hem verlaten heeft. De passie en het enthousiasme van de kinderen zijn voelbaar wanneer zij daarna horen dat Jezus opstond uit de dood. Dat de liefde sterker is dan de dood.

Achter mij zit de moeder van Dilsa, een krachtige Koerdische vrouw met sprekende ogen en zwart krullend haar. Ik vind het mooi om te zien dat zij als moslima in een katholieke kerk zit. Dat haar kinderen hier les krijgen. Toch sla ik de plank een beetje mis. Ik ken dan het verhaal nog niet dat haar schoonzus, de moeder van Servan, mij later die ochtend vertelt.

Op school aangekomen zie ik in de hal een tafel vol koffie staan. Ik groet de moeder van Servan. Ze zit alleen. Ik pak ook een kop koffie en ga gezellig naast haar zitten. Ze heeft me eens op het schoolplein verteld dat haar Koerdische familie in een onrustig gebied in Turkije woont. Ik ben benieuwd hoe het met hen gaat. Maar ze maakt zich nu zorgen over iets anders: “Mijn zoon kwam gisteren thuis en zei: ‘Mama, ze zeggen op school dat ik slecht ben, omdat ik moslim ben’. Ik was zo verbaasd, ik wilde het uitleggen en hem troosten, maar ik weet niet hoe.”

Ze zucht even en vervolgt haar verhaal: “Wij hebben hem thuis nooit verteld dat hij moslim is. We willen dat niet opleggen. Mijn zoon heeft het destijds op school gehoord van juf Silvia. Thuis voeden wij hem wel op met islamitische gebruiken, maar hij mag zelf zijn religie kiezen als hij oud genoeg is. Dat voel ik zo omdat het islamitische geloof ons is opgelegd toen wij nog in Koerdistan leefden. Op de scholen, in de winkels: we werden geacht ons als moslim te gedragen, we hadden geen keus. Maar het voelt voor mij niet echt. Ik ben gewoon mens, ik geloof niet in religie. We zijn allemaal één. Mijn familie is nog wel moslim, mijn schoonmoeder draagt een hoofddoek. En nu, nu hoort mijn zoon zulke vreselijke dingen. Het voelt niet veilig. Hoe moet dat nu verder?”

Haar zachte en vriendelijke glimlach tijdens het vertellen weerspiegelt geen zorgen, maar haar toon is gezet. Ze zit vol verhalen over haar achtergrond, een achtergrond die ik niet in detail ken. “De mensen weten niet hoe wij gevlucht zijn, hoe erg dat was. En ja ook moslims zijn in ons land vermoord. Kinderen en ouders, op een rij gezet, neergeschoten. Soms niet eens begraven maar in het water gegooid. In 1991, op 16 maart zijn wij weggegaan. Het was onveilig; er waren in 1988 chemische middelen via vliegtuigen op gebieden tussen Irak en Turkije gespoten waardoor vijfduizend mensen in één klap waren gedood.”

“Mijn familie is gevraagd of wij met een groep mee wilden vluchten. Ik was 16 jaar. We trokken twee paar kleren over elkaar aan en namen een beetje eten mee. Verder lieten we alles achter. We zijn door de bergen gelopen, want in de dalen stond het water te hoog. Uiteindelijk hebben we op de grens van Turkije en Irak een kamp gemaakt, zelf hutten gebouwd van takken en plastic. We kregen hulp van christelijke mensen uit het dorp en ook uit het buitenland kwamen organisaties om ons te helpen. De sfeer was toen zo fijn, iedereen was aardig en hielp elkaar. En als er christelijke feesten waren, vierden we het met ze mee, ook al zijn wij als moslims opgegroeid.”

Ze vervolgt haar verhaal, met een stellige wijsheid. “We moeten niet denken in religie. Ik hoop dat de wereld ziet dat wij mens zijn, geen religie.” Zoon Servan loopt langs met een klasgenootje. Het klasgenootje draagt het kruis van Jezus om zijn nek. “Mama, mag ik een paaseitje pakken?” “Ja jongen, dat is goed.”

We drinken onze koffie op en vervolgen de dag. Ik wil wat doen, ik wil helpen, want het voelt niet goed dat religie uit zijn verband wordt gerukt, ook al is er wel degelijk een dreiging. Mijn zorgen gaan uit naar hoe het kan dat deze 11-jarige wordt gezegd dat hij slecht is. Hoe kan het dat deze jongen zich zorgen moet maken over zijn afkomst of religie? Een afkomst van onderdrukking in zijn land van herkomst, waar Koerden én moslims door extremistische groeperingen zijn onderdrukt en velen worden gedood.

Ik denk dat de media een hele grote rol spelen, maar de media zijn natuurlijk ook een weerspiegeling van de maatschappij. Wij zijn het zelf die, heel simpel, met de mensen om ons heen in gesprek kunnen gaan. Op straat, langs de lijn bij het voetbalveld, op het schoolplein, op een verjaardag. Zonder vooroordeel kunnen we aandacht geven, eens écht luisteren naar het verhaal achter het verhaal. Zoals mijn docent journalistiek mij eens op het hart drukte: “Ga altijd terug naar de bron”. Die bron is de buurvrouw, die andere ouder of wie dan ook waar je naast staat. Praat en luister oprecht. Zodat jongetjes van elf niet meer worden veroordeeld om wie ze zijn.